In deze periode worden kinderen emotioneel stabieler en krijgen ze zelfvertrouwen.
Ze worden zich ervan bewust dat eigenschappen en vaardigheden niet vastliggen, maar zich ontwikkelen onder invloed van leeftijd, oefening en sociale omgeving.
Inlevingsvermogen
Ze richten zich in het algemeen steeds sterker op leeftijd- en seksegenoten en zijn ook steeds beter in staat zich in te leven in de ander en daarmee rekening te houden.
Onafhankelijkheid
Ze vertonen een toenemende mate van onafhankelijkheid, laten steeds meer een eigen mening horen en claimen meer eigen verantwoordelijkheid.
Dit gaat vaak gepaard met een grotere gevoeligheid voor ethische consequenties van gedrag en een grotere interesse voor achterliggende bedoelingen en opvattingen (veel waarom-vragen).
Afkomstig van: Sociaal Emotioneel

